Burgerschap krijgt een andere plek binnen het mbo. De huidige inspanningsverplichting maakt plaats voor een instellingsexamen. Daarmee komt burgerschap nadrukkelijker in het rijtje van onderdelen die meetellen voor diplomering.
Dat klinkt overzichtelijk, maar toetsdeskundig roept het ook een interessante vraag op:
Gaan we burgerschap beter examineren, of vooral beter meetbaar maken?
Die vraag verdient aandacht. Want de keuzes die we de komende jaren maken, bepalen niet alleen hoe we burgerschap beoordelen, maar ook hoe we er als onderwijssector naar kijken.
De aantrekkingskracht van een online examen
Een online instellingsexamen heeft duidelijke voordelen.
Het is efficiënt. Het is relatief eenvoudig te organiseren. En het kan bijdragen aan meer gelijkwaardigheid tussen opleidingen en instellingen.
Juist dat laatste wordt vaak genoemd als belangrijk argument. Studenten moeten erop kunnen vertrouwen dat een diploma overal dezelfde waarde heeft. Een gestandaardiseerd examen lijkt daar goed bij aan te sluiten.
Maar daar zit tegelijkertijd ook een risico.
Als we burgerschap vooral online toetsen, meten we dan daadwerkelijk burgerschap? Of meten we vooral begrijpend lezen, kennisreproductie en het herkennen van wenselijke antwoorden?
Dat zijn belangrijke vaardigheden, maar ze vormen slechts een deel van wat burgerschap inhoudt.
Burgerschap is meer dan kennis alleen
Burgerschap gaat niet alleen over weten hoe onze democratie werkt of welke rechten en plichten burgers hebben.
Het gaat ook over het kunnen omgaan met verschillende perspectieven. Over deelnemen aan de samenleving. Over het vormen van een eigen mening. Over het afwegen van belangen en het voeren van gesprekken over maatschappelijke vraagstukken.
Dat zijn vaardigheden die zich niet altijd eenvoudig laten vangen in meerkeuzevragen of korte schriftelijke casussen.
Juist daarom is het de vraag of een volledig gestandaardiseerd examen recht doet aan de bedoeling van burgerschapsonderwijs.
Is een portfolio dan de oplossing?
Vaak wordt een portfolio genoemd als alternatief.
Een portfolio biedt immers ruimte voor praktijkervaringen, reflecties, projecten en actuele thema’s. Het maakt het mogelijk om aan te sluiten bij de context van een opleiding, de beroepspraktijk en de regio.
Dat heeft voordelen.
Een student in Maastricht zal andere ervaringen en voorbeelden meenemen dan een student in Den Oever, Delfzijl of Vlissingen. En dat hoeft geen probleem te zijn. Sterker nog, dat kan juist de kracht zijn van burgerschapsonderwijs.
Maar ook een portfolio kent uitdagingen.
Want welk bewijs moet een student precies aanleveren?
Wanneer is dat bewijs voldoende?
Welke criteria hanteer je?
En hoe zorg je ervoor dat verschillende beoordelaars tot vergelijkbare oordelen komen?
Zonder duidelijke kaders ontstaat een ander risico: willekeur.
De echte vraag ligt ergens anders
Misschien ligt de oplossing daarom niet in de keuze tussen een online examen of een portfolio.
De echte vraag is:
Hoe ontwerpen we een instellingsexamen burgerschap dat zowel valide als gelijkwaardig is?
Dat vraagt om stevige keuzes.
- Wat toetsen we gestandaardiseerd?
- Wat beoordelen we via opdrachten, portfolio’s of gesprekken?
- Welke beoordelingscriteria gebruiken we?
- Waar ligt de cesuur?
- Hoe trainen en kalibreren we beoordelaars?
- En hoe borgt de examencommissie dat het examenbesluit zorgvuldig en verdedigbaar is?
Dat zijn vragen die rechtstreeks raken aan de kwaliteit van examinering.
De rol van de examencommissie
Binnen het inspectiekader bieden BA1 en BA2 hiervoor duidelijke aanknopingspunten.
De opleiding moet kunnen onderbouwen dat een student voldoet aan de voorwaarden voor diplomering. De examencommissie moet erop kunnen vertrouwen dat het proces, het instrument, de beoordelaars en de besluitvorming op orde zijn.
Dat vraagt om meer dan alleen een goed exameninstrument.
Het vraagt om een doordacht examenontwerp en een stevige kwaliteitsborging.
Juist daar ligt de komende jaren een belangrijke opdracht voor opleidingen en examencommissies.
Gelijk hoeft niet. Gelijkwaardig wel.
Misschien is dat uiteindelijk de belangrijkste gedachte.
Burgerschap hoeft niet overal op exact dezelfde manier vorm te krijgen.
De context van een opleiding, regio of doelgroep mag verschillen. Dat is niet alleen logisch, maar vaak ook wenselijk.
Een student in Maastricht mag andere voorbeelden gebruiken dan een student in Delfzijl of Vlissingen.
Maar de waarde van het oordeel moet wel gelijkwaardig zijn.
Dat vraagt om een balans tussen ruimte en structuur. Tussen maatwerk en standaardisering. En tussen de rijkdom van burgerschapsonderwijs en de eisen die we stellen aan examinering.
Een belangrijke opdracht voor de komende jaren
De invoering van het instellingsexamen biedt kansen om burgerschap een stevigere plek te geven binnen het mbo.
Maar tegelijkertijd brengt het nieuwe vragen met zich mee.
Hoe zorgen we ervoor dat burgerschap aantoonbaar wordt, zonder het terug te brengen tot een afvinklijst?
Hoe houden we ruimte voor context, praktijk en persoonlijke ontwikkeling, terwijl we tegelijkertijd de kwaliteit en betrouwbaarheid van examinering borgen?
Dat lijkt mij één van de belangrijkste vraagstukken waar het mbo de komende jaren een antwoord op mag vinden.
Niet omdat burgerschap eenvoudig te toetsen is.
Maar juist omdat het zo belangrijk is.
